Aseksualiteit

Aseksualiteit: een onbekend thema in onderzoek en kliniek

Zowel in de wetenschappelijke als in de populaire literatuur is er steeds meer aandacht voor het fenomeen aseksualiteit. Deze toegenomen aandacht resulteert echter nog niet in een uitgebreide kennis over het thema. Pas sinds het midden van de jaren 2000 wordt er meer systematisch onderzoek verricht naar aseksualiteit. Mogelijk heeft de oprichting van de online aseksuele gemeenschap, AVEN, gezorgd voor de toegenomen wetenschappelijke aandacht voor dit thema. Hoewel er steeds meer aandacht komt voor aseksualiteit, blijven er vele vragen onbeantwoord.

We beginnen dit beknopte literatuuroverzicht met een beschrijving van de meest gangbare definities en de bijhorende prevalenties. Vervolgens bespreken we enkele kenmerken van aseksuelen en beschrijven we welke biologische, psychologische, sociale en seksuologische factoren geassocieerd blijken te zijn met aseksualiteit. We gaan kort in op de discussie over het onderscheid tussen aseksualiteit en Hypoactive Sexual Desire Disorder (HSDD). Een laatste thema dat wordt besproken is het (niet) verschijnen van aseksualiteit in de kliniek.

1. Definitie en prevalentie

Tot op heden is er geen consensus over hoe we aseksualiteit best definiëren: sommigen definiëren het als een gebrek aan seksueel gedrag [4], anderen stellen aseksualiteit gelijk aan de afwezigheid van seksueel verlangen of seksuele aantrekking [1,4], nog anderen stellen dan weer dat een aseksueel persoon iemand is die zich aseksueel noemt [2,3,4,5,6]. Soms wordt ook een combinatie van de drie definities gehanteerd [4]. Het is nog onduidelijk welke definitie het beste aansluit bij de realiteit. Onderzoek toont echter aan dan aseksuelen een sterk heterogene groep vormen, wat doet vermoeden dat een eenduidige definitie van aseksualiteit moeilijk te formuleren is [2].

Uiteraard zal de prevalentie van aseksualiteit sterk verschillen naargelang de definitie die onderzoekers hanteren. De hoogste prevalentie vinden we wanneer we aseksualiteit definiëren als de afwezigheid van seksueel gedrag (5.5%), de laagste prevalentie vinden we wanneer we aseksualiteit definiëren als de afwezigheid van seksueel verlangen of seksuele aantrekking (0.8%-1.05%) en wanneer een combinatie van de drie definities wordt gehanteerd (0.75%) [1,4].

 

2. Kenmerken van aseksuelen

Meer vrouwen dan mannen blijken aseksueel zijn [1,2,4,5]. De meeste aseksuelen hebben geen relatie [1,2,4,5]. We zouden kunnen veronderstellen dat aseksuelen niet seksueel actief zijn. Onderzoek toont echter aan dat dit niet noodzakelijk het geval hoeft te zijn [1,2,4,5]. Het verlangen naar en de frequentie van seksuele activiteit is echter laag in vergelijking met niet-aseksuelen. Aseksuelen geven aan niet bang of afkerig te zijn van seks, het is eerder iets dan hen onverschillig laat [5]. Met betrekking tot de frequentie van en het verlangen naar masturbatie, blijken aseksuelen weinig te verschillen van niet-aseksuelen [2,3,5,6].

3. Factoren geassocieerd met aseksualiteit

Biologische factoren die geassocieerd zijn met aseksualiteit omvatten zwakkere gezondheid, latere eerste menstruatie en kleinere gestalte [1,4]. We beschouwen deze bevindingen echter als voorbarig tot nieuwe onderzoeken ze kunnen staven. Ook enkele psychologische factoren gaan samen met aseksualiteit zoals alexithymia (moeilijkheden met het identificeren en verwoorden van gevoelens, bepaalde persoonlijkheidskenmerken (meer teruggetrokken zijn) en inter-persoonlijk functioneren (sociale inhibitie) [2]. Sommige auteurs suggereren een link tussen aseksualiteit en de schizoïde persoonlijkheidstoornis, of tussen aseksualiteit en het Asperger-syndroom [2]. Deze interessante hypotheses verdienen verder onderzoek.

Ook het seksueel functioneren van aseksuelen krijgt aandacht in onderzoek. Aseksuelen ervaren een lager seksueel verlangen en een lagere subjectieve seksuele opwinding. Met betrekking tot fysieke opwinding (vochtig worden van de vagina bij vrouwen en het krijgen van een erectie bij mannen), werden geen verschillen gevonden met niet-aseksuelen[2,3,5]. De onderzoeks-bevindingen met betrekking tot orgasme, seksuele tevredenheid en pijn tijdens of na het vrijen, variëren en vragen meer onderzoek [2,3]. Ten slotte blijkt dat slechts een minderheid van de aseksuelen lijdt onder het feit dat ze aseksueel zijn [2].

4. Aseksualiteit versus Hypoactief seksueel verlangen (HSDD)

Aangezien zowel aseksualiteit als HSDD een gebrek aan seksueel verlangen vertonen, stellen sommigen de vraag of aseksualiteit niet gewoon een subgroep is van HSDD [1]. Dit zou veronderstellen dat aseksualiteit een seksuele disfunctie is. Opdat er sprake kan zijn van een seksuele disfunctie, moet er echter ook lijden aanwezig zijn als gevolg van het probleem. Aangezien slechts een minderheid van de aseksuelen aangeeft dat ze lijden onder hun aseksueel zijn [2] kunnen we ons de vraag stellen of deze veronderstelling correct is. Om het onderscheid tussen aseksualiteit en HSDD duidelijk te kunnen maken is meer vergelijkend onderzoek nodig naar de prevalentie van aseksualiteit en HSDD en naar de onderliggende factoren van beide. Ook het seksueel functioneren bij aseksualiteit en HSDD en de aanwezigheid van lijden in beide populaties moet verder onderzocht worden.

5. Aseksualiteit in de hulpverlening

Aseksuelen verschijnen zelden in de kliniek, aangezien ze weinig of niet lijden onder hun aseksueel zijn. Het aangaan van een relatie met een niet-aseksueel persoon kan echter een reden vormen tot aanmelding. Wanneer een dergelijk koppel bij een hulpverlener komt, hoort de nadruk te liggen op relatietherapie eerder dan op sekstherapie [3]. Het doel is dus niet het trachten verhogen of stimuleren van het seksueel verlangen van de aseksuele persoon, maar het onderhandelen over grenzen en het trachten te bereiken van een compromis waarin beide partners zich kunnen vinden [3].

6. Besluit

De toegenomen aandacht voor aseksualiteit, zowel in de populaire als in de wetenschappelijke literatuur heeft nog niet geleid tot een omvattende kennis over het thema. Er is nood aan meer onderzoek over de prevalentie en de kenmerken van aseksualiteit en over de biologische, psychologische en sociale factoren die er mee samenhangen. Verder is het belangrijk om een duidelijk onderscheid te proberen maken tussen aseksualiteit en hypoactief seksueel verlangen (HSDD). Enkel op die manier zijn we in staat om een correcte inschatting te maken van het thema aseksualiteit en kunnen we de hypothese toetsen dat aseksualiteit een vierde seksuele oriëntatie is, naast heteroseksuele, homoseksuele en biseksuele oriëntatie.

Referenties

[1] Bogaert, A.F. (2004). Asexuality: prevalence and associated factors in a national probability sample. The Journal of Sex Research, 41 (3), 279-287.

[2] Brotto, L.A., Knudson, G., Inskip, J., Rhodes, K., Erskine, Y. (2010). Asexuality: a mixed-methods approach. Archives of Sexual Behavior, 39, 599-618.

[3]Brotto, L.A., Yule, M.A. (2010). Physiological and subjective arousal in self-identified asexual women. Archives of Sexual Behavior (Published online: 21 September 2010).

[4] Poston, D.L., Baumle, A.K. (2010). Patterns of asexuality in the United States. Demographic Research, 23, 509-530.

[5] Prause, N., Graham, C.A. (2007). Asexuality: classification and characterization. Archives of Sexual Behavior, 36, 341-356.

[6] Scherrer, K.S. (2008). Coming to an asexual identity: negotiating identity, negotiating desire. Sexualities, 11 (5), 621-641.